Wietse Hoving (1911 – 1998)

eigenfotoGeboren op 13 juni 1911 als zoon van een kleermaker in het Groningse Marum kwam Wietse  na de lagere school te hebben doorlopen in dienst bij huisschilder ‘Keutelie’ Keuning in de stad Groningen. Hij begon net als elke leerjongen in die tijd eindeloos pigmenten te malen en tijdens zijn leven maakte hij de hele ontwikkeling van lijnolie- naar synthetische verven mee. Dat zou zijn leven kleuren.

Het is achteraf moeilijk vast te stellen of hij uit een kunstzinnig milieu kwam. Aan het begin van de vorige eeuw was er nog weinig ruimte in arbeiderskringen om zulke talenten te ontwikkelen. We weten dat zijn vader, Albert, correspondeerde met een broer in Ureterp door middel van tekeningen die hij met vaardige hand maakte. Zijn broer beantwoordde de post met gedichten. Niets daarvan is bewaard gebleven, maar in de genen moet er iets van dat alles bij Wietse zijn terechtgekomen.

Wietse trouwde in 1935 met Klaaske Meerveld, of Corrie, zoals zij werd genoemd. Er kwamen vijf kinderen. Zijn hart trok naar veel meer mogelijkheden die verf hem bood dan waar zijn beroep als huisschilder in kon voorzien. Hij volgde de Avondacademie Minerva in Groningen gedurende zes jaar. Tijdens de oorlogsjaren kon hij zijn gezin redelijk onderhouden van de inkomsten uit schilderijen, die hij veelal in opdracht maakte voor particuliere zakenmensen die regelmatig relatiegeschenken nodig hadden om hun clientele aan zich te binden. Na de oorlog viel die inkomstenbron zo goed als helemaal weg en moest hij opnieuw als huisschilder aan de bak.

wietse_hoving_zelfportret_potlood_1941_lrDat was een hard bestaan tegen een karig loon dat, om thuis nog zes andere monden te vullen, moest worden aangevuld met bijklussen in de avonduren: sloepen schilderen bij de werf van Kerstholt aan het Winschoterdiep. Lange dagen, die werden gecompenseerd door in de weekends (dat was in die tijd alleen nog op zaterdagmiddag en zondag) aan zijn schildersezel te zitten. Alles wat hem voor de voeten kwam schilderde hij: heide- en zeegezichten, stillevens, landschappen en portretten, het maakte hem weinig uit. Vele uren hebben zijn vrouw en kinderen poserend doorgebracht, starend naar de achterkant van een doek waarover roffelend zijn penseel danste. Bij goed weer bond hij zijn veldezel op zijn brommer, hees een doek op zijn rug en snorde de stad uit: naar het Paterswoldse Meer, Euvelgunne, of naar het scheve kerkje op de terp van Oostum. Maar ook van reclamewerk, inclusief letterzetten was hij niet vies: bioscoopreclames en zijpanelen van bestelwagens werden in de huiskamer opgesteld en het hele gezin kon meemaken hoe er op het witte doek al heel snel een filmster vorm aannam, of hoe de trotse leeuwenkop van Samson-de-Shag-met-de-Leeuw opeens uit Wietses ruige verfstreken opdook. Magie in de huiskamer…

Op de Avondacademie had hij les gehad van Jan van de Baan en dat opende voor hem een relatienetwerk. Hij sloot zich aan bij het kunstenaarscollectief De Ploeg. Iedere vrijdagavond schaarde hij zich onder vakgenoten zoals Jan Altink, Johan Dijkstra en George Martens om te tekenen naar naaktmodel in het gebouw van het Kunstlievend Genootschap Pictura aan het Martinikerkhof. Veelal trokken de heren daarna naar een gelegenheid waar alcoholische dranken werden genuttigd, maar Wietse deed daar zelden aan mee. Hij had noch het budget, noch de babbel om zich in die setting staande te houden.

De periode van De Ploeg werd gekenmerkt door impressionistisch werk. Stillevens en landschappen, maar ook portretten werden in die stijl afgeleverd. Veel van zijn werk werd verkocht via de kunsthandel van Karel Ongering in de Oude Kijk in ‘t Jatstraat. Ondanks de beperkte tijd die hij ter beschikking had, was Wietse opmerkelijk productief.

ploeg-periode-hoving-zeiboten-op-het-paterswoldsemeer-groningenHij was in die periode in dienst bij een broer van Karel, Chris Ongering, die een schildersbedrijf had dat werkte voor Groninger woningbouwverenigingen in de volkswijken van de stad. Jarenlang verfde Wietse woningen in de Oranjebuurt en op de Hoogte. Rond 1960 stapte hij van het klantenwerk van Ongering over naar schildersbedrijf Derk Doornkamp, dat voornamelijk opereerde in de nieuwbouw van de zich uitbreidende stad. Wietse viel op door zijn vakmanschap en harde werken. Later zou hij over die periode zeggen: ‘een mooi afgelakte deur is even bevredigend als een goed gelukt schilderij’. Hij werd al snel bevorderd tot uitvoerder en kreeg als een van zijn klussen het nieuwe Doorgangshuis aan de Helperzoom in Helpman, opvolger van het grote sombere gebouw aan de Agricolastraat. Via relaties wist hij daar een atelier te bemachtigen, waarin hij al gauw al zijn vrije tijd doorbracht tussen studenten, die in hetzelfde gebouw waren gehuisvest.

Rond deze tijd beeindigde hij zijn lidmaatschap van de Ploeg, maar dat betekende niet dat hij in een isolement terechtkwam. Zijn huis bleef een warm welkom bieden aan iedereen van de kunstkring die daar behoefte aan had en Henri de Wolf, kunstverzamelaar Jurrien Wijngaard en vele anderen kwamen regelmatig op bezoek. Zelf zocht hij steeds minder collega’s op.

In zijn nieuwe atelier veranderde zijn schilderstijl. Hij begon abstract te schilderen en gebruikte al snel de materialen die hij op de bouwplaatsen, waar hij nog steeds dagelijks werkte, opdeed. Egaliseerpasta, pur-schuim, metaalafval, polyester matten, houten schaaldelen, alles wat hij tegenkwam vond een esthetische plaats op zijn doeken en panelen. De technieken die hij in zijn huisschildersbestaan had moeten hanteren zoals marmeren, houtimitatie, letterzetten, vergulden en verzilveren zien we regelmatig op zijn doeken terug komen.

Toen hij tenslotte zijn werk als huisschilder door rugproblemen moest beeindigen, had hij eindelijk de handen vrij om zich naar hartelust aan zijn  schilderwerk te wijden en dat deed hij dan ook.

6fietsbel2Zijn hoogtepunt vond hij in zijn fotorealistische periode. Aanvankelijk begonnen als het portretteren van zijn kleinkinderen, breidde zijn werkterrein zich al snel uit naar meer algemene onderwerpen, van fietsbellen tot enveloppen van brieven. In deze periode was zijn technisch niveau het duidelijkst zichtbaar. Structuren van jute zakken, geschept papier en gebreide truitjes werden met adembenemende precisie op het doek gezet.

Later heeft hij opnieuw abstract werk geleverd, min of meer op het verkeerde been gezet door de ideeen rond conceptuele kunst. Zijn laatste tentoonstelling bestond uit doeken die gevuld waren met kleine vierkante uniform gekleurde vlakjes, maar een onderbouwing van het geheel ontbrak. Een ongelukkige combinatie van een aanvechtbaar artistiek standpunt en de wens esthetiek af te leveren. Zijn bestaan werd deels vergald door de vraag of het wel kunst was wat hij produceerde. Hij heeft daar nooit een bevredigend antwoord op kunnen vinden. Maar de vraag is ook volkomen zinloos.

In zijn nadagen, toen het verblijf in de kleine woning aan de Mauritsdwarsstraat, die het echtpaar ruim 60 jaar als thuis had gediend en waarin ze hun kinderen hadden grootgebracht, niet meer mogelijk was, werd gezocht naar een beter op een ouder echtpaar afgestemde woning. Een schitterend splinternieuw appartement aan de Oosterhaven werd door hem resoluut van de hand gewezen: misschien best een mooi uitzicht op het water, maar veel te weinig muren. Daarop kon hij zijn schilderijen niet kwijt. Het werd een flatje in Vinkhuizen.

Dat duurde relatief maar kort. Na een paar jaar belandde het echtpaar in het Bejaardentehuis aan de Nieuwe wietseEbbingestraat, waar ze betrekkelijk kort na elkaar overleden.
Maar tot het laatst toe stond de schildersezel klaar en rook het appartement naar verf. Op de dag van zijn overlijden op 16 februari 1998 stond op de ezel een geheel zwart geschilderd doekje. Voorgevoelens? Nee, de opzet voor een klein schilderijtje van een deurslot, als presentje voor fotograaf John Stoel, die hem regelmatig van interessante foto’s voor zijn werk had voorzien.

Wietse Hoving was een ambachtelijk schilder. Hij had geen hoogdravende theorieen om zijn werk uit te leggen. Dat hoefde ook niet. Wat je zag was wat je kreeg. Perfect uitgevoerd schilderwerk van onveranderlijk hoge esthetische kwaliteit zonder modieuze poespas. Zijn hele leven draaide om verf.

Wietse Hoving had terpentijn in zijn aderen in plaats van bloed.